Ga naar de hoofdinhoud
Inhoudsopgave
Afdrukken

De voorwaarden van de BOR: wat de wet eist bij schenken en bij erven

De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) klinkt in hoofdlijnen eenvoudig: ondernemingsvermogen is tot een bepaald bedrag vrijgesteld van schenk- of erfbelasting. De werkelijke complexiteit zit in de voorwaarden. De wet stelt eisen aan drie verschillende partijen tegelijk — aan wát er wordt overgedragen, aan de schenker of erflater, en aan de verkrijger — en die eisen verschillen bovendien op een aantal punten tussen schenken en erven. Dit artikel loopt de volledige wettelijke regeling na, artikel voor artikel.

Het wettelijk kader: vier artikelen die samen de BOR vormen

De BOR is geen los begrip, maar de optelsom van een aantal samenhangende bepalingen in de Successiewet 1956:

  • Artikel 35b — de toegangspoort: wie kan een beroep doen op de regeling, en wat is de omvang van de vrijstelling
  • Artikel 35c — het object: wat telt als kwalificerend ondernemingsvermogen
  • Artikel 35d — de bezitseis: hoe lang moet de schenker of erflater de onderneming al hebben gehad
  • Artikel 35e — de voortzettingseis: hoe lang moet de verkrijger de onderneming aanhouden

Al deze bepalingen moeten tegelijk worden vervuld. Voldoet u aan de bezitseis maar niet aan de voortzettingseis, dan wordt de vrijstelling na toekenning alsnog (deels) teruggenomen. Het is dus niet genoeg om op het moment van de schenking of het overlijden aan de voorwaarden te voldoen — een deel van de voorwaarden werkt door in de jaren daarna.

Wat kwalificeert als ondernemingsvermogen? (artikel 35c)

De BOR is uitdrukkelijk bedoeld voor reële ondernemingen, niet voor belegd vermogen dat toevallig in een vennootschap zit. Artikel 35c maakt onderscheid tussen twee hoofdvormen van verkrijging:

1. Een IB-onderneming (eenmanszaak, vof-aandeel of aandeel in een maatschap). Hier is relatief eenvoudig vast te stellen wat ondernemingsvermogen is: het vermogen dat wordt gebruikt in de actieve onderneming zoals bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001.

2. Aanmerkelijkbelangaandelen (ab-aandelen) in een bv. Hier ligt het genuanceerder, en is de wetgeving de afgelopen jaren fors aangescherpt:

  • Het moet gaan om een belang van ten minste 5% in het geplaatste kapitaal
  • Sinds de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 geldt bovendien dat het moet gaan om gewone aandelen — preferente aandelen, winstbewijzen, opties en zogeheten tracking stocks zijn in beginsel uitgesloten
  • Uitzondering: preferente aandelen die zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging (bijvoorbeeld wanneer de ouder zijn gewone aandelen omzet in cumulatief preferente aandelen ten gunste van een kind dat gewone aandelen krijgt) kunnen onder voorwaarden wél kwalificeren
  • Beleggingsvermogen binnen de bv telt niet mee — effecten, overtollige liquide middelen en, sinds 2024, vastgoed dat wordt verhuurd aan een derde partij buiten de eigen groep
  • De vroegere doelmatigheidsmarge (een beperkt percentage beleggingsvermogen dat toch mocht meetellen) is voor de BOR per 2025 volledig afgeschaft — ieder euro beleggingsvermogen binnen de bv telt sindsdien gewoon niet mee, zonder marge
  • Werkt de onderneming via een holdingstructuur, dan wordt het ondernemingsvermogen van de werkmaatschappij toegerekend aan de holding, mits de holding daarin ten minste indirect 5% belang heeft

Let op: de kwalificatie als ondernemingsvermogen wordt beoordeeld op het niveau van de concrete bezittingen, niet op het niveau van de vennootschap als geheel. Een bv met een operationeel bedrijfsonderdeel én een grote beleggingsportefeuille kwalificeert dus gedeeltelijk — alleen het operationele deel valt onder de BOR.

De bezitseis: hoe lang moet de schenker of erflater de onderneming al hebben? (artikel 35d)

De bezitseis is gericht op de schenker of erflater, niet op de verkrijger. De gedachte erachter: de BOR is bedoeld voor reële, al langer bestaande ondernemingen — niet voor een onderneming die vlak vóór de overdracht nog snel wordt “klaargemaakt” om fiscaal voordelig te kunnen worden overgedragen.

De termijnen verschillen tussen schenken en erven:

  • Bij schenking: de schenker moet gedurende ten minste 5 jaar voorafgaand aan de schenking aanmerkelijkbelanghouder zijn geweest (bij ab-aandelen), of gedurende 5 jaar ondernemer zijn geweest (bij een IB-onderneming)
  • Bij overlijden: deze termijn is korter — ten minste 1 jaar voorafgaand aan het overlijden

Bezitsopvolging bij herstructurering. Een belangrijke vraag in de praktijk: wat gebeurt er met de bezitstermijn als de onderneming tussentijds van rechtsvorm is veranderd, bijvoorbeeld door een omzetting naar een bv, een aandelenfusie, een juridische fusie of een juridische splitsing? Het uitgangspunt van de wetgever: als de subjectieve gerechtigdheid tot de onderneming niet wijzigt of toeneemt door de herstructurering, telt de bezitsperiode van vóór de herstructurering gewoon mee. Een geruisloze inbreng in een bv, een gefaciliteerde aandelenfusie of een geruisloze juridische splitsing of fusie onderbreekt de bezitstermijn dus in beginsel niet — mits de omvang van het belang van de schenker of erflater door die herstructurering niet is toegenomen ten opzichte van wat hij al had.

Een nuance bij meerdere ondernemingen of een gedeeltelijk belang. Houdt de schenker of erflater meerdere objectieve ondernemingen, of is zijn belang in de loop der tijd uitgebreid (bijvoorbeeld door bijkoop van extra aandelen), dan moet de bezitseis voor elk deel afzonderlijk worden beoordeeld. Voor het deel dat korter dan de vereiste termijn wordt gehouden, geldt de BOR niet — ook niet als de rest van het belang al jarenlang in bezit is.

De voortzettingseis: hoe lang moet de verkrijger de onderneming aanhouden? (artikel 35e)

Waar de bezitseis naar het verleden kijkt, kijkt de voortzettingseis naar de toekomst — en richt zich op de verkrijger. Sinds de aanpassing in 2025 is deze termijn verkort van vijf naar drie jaar. De verkrijger moet:

  • De onderneming gedurende ten minste 3 jaar voortzetten (bij een IB-onderneming), of
  • De verkregen aandelen gedurende ten minste 3 jaar aanhouden én de bv moet in die periode haar onderneming voortzetten (bij ab-aandelen)

Wat telt als een schending van de voortzettingseis? In de kern: het (gedeeltelijk) staken van de onderneming, of het vervreemden van de aandelen. Gebeurt dit binnen de termijn van 3 jaar, dan wordt de eerder toegekende vrijstelling naar rato teruggenomen, en is alsnog schenk- of erfbelasting verschuldigd over het teruggenomen deel.

Belangrijke uitzonderingen — wat géén schending oplevert:

  • Geruisloze inbreng van de verkregen IB-onderneming in een bv. De rechtsvorm verandert, maar de onderneming zelf wordt onveranderd voortgezet
  • Een gefaciliteerde aandelenfusie, juridische fusie of juridische splitsing van de bv waarvan de verkrijger aandeelhouder is — mits deze geruisloos plaatsvindt en de gerechtigdheid van de verkrijger tot de onderneming niet afneemt
  • Ontbinding van de bv op grond van artikel 14c Wet Vpb 1969, met voortzetting van de activiteiten elders binnen hetzelfde concern
  • Het aangaan van een samenwerkingsverband (bijvoorbeeld een vof of maatschap) door de verkrijger, zolang zijn winstgerechtigdheid daardoor niet verder afneemt dan vóór de verkrijging al het geval was

Wat wél een probleem kan zijn: het “uitzakken” van de onderneming naar een gezamenlijke bv met andere partijen, waarbij het relatieve belang van de verkrijger verwatert, kan juist wél een schending van de voortzettingseis opleveren — ook al blijft de onderneming op zichzelf bestaan. De toets is niet alleen of de onderneming voortbestaat, maar ook of de gerechtigdheid van de verkrijger daartoe materieel gelijk blijft.

Praktijkvoorbeeld van een subtiele valkuil: een verkrijger die zijn geërfde aandelen kort na het overlijden inbrengt in een gezamenlijke holding met een compagnon, en daarbij zijn relatieve belang ziet verwateren van 100% naar 50%, loopt het risico dat de BOR-vrijstelling alsnog (deels) wordt teruggenomen — ook al bestaat de oorspronkelijke onderneming feitelijk gewoon door.

De minimumleeftijd: alleen van toepassing bij schenking

Een voorwaarde die uitsluitend bij schenking geldt, niet bij vererving: de verkrijger moet op het moment van de schenking ten minste 21 jaar oud zijn. Deze eis is er gekomen om te voorkomen dat bedrijfsvermogen fiscaal voordelig naar jonge kinderen wordt overgeheveld zonder dat van een reële bedrijfsopvolging sprake is. Bij vererving ontbreekt deze eis, simpelweg omdat de wetgever hier geen vergelijkbaar misbruikrisico ziet — een erfenis is immers niet een bewust gekozen moment.

De omvang van de vrijstelling (artikel 35b)

Voldoet u aan alle voorgaande voorwaarden, dan bepaalt artikel 35b de omvang van de vrijstelling zelf:

  • De eerste €1.543.500 (2026) aan kwalificerend ondernemingsvermogen is volledig vrijgesteld
  • Over het meerdere geldt een vrijstelling van 75%
  • Voor het resterende, belaste deel kan 10 jaar rentedragend uitstel van betaling worden aangevraagd

Deze percentages en het drempelbedrag zijn voor schenken en erven gelijk — het verschil tussen beide routes zit, zoals hierboven beschreven, uitsluitend in de bezitseis en de minimumleeftijd, niet in de omvang van de vrijstelling zelf.

Schenken versus erven: de voorwaarden naast elkaar

VoorwaardeBij schenkingBij vererving
Bezitseis (schenker/erflater)5 jaar1 jaar
Voortzettingseis (verkrijger)3 jaar3 jaar
Minimumleeftijd verkrijger21 jaarGeen eis
Vrijstelling (2026)100% tot €1.543.500, 75% daarboven100% tot €1.543.500, 75% daarboven
Uitstel van betaling10 jaar rentedragend10 jaar rentedragend
Moment van toetsingZelf te kiezenOverlijdensdatum

Het meest wezenlijke verschil is dus niet de hoogte van de vrijstelling — die is identiek — maar de bezitstermijn en de mogelijkheid om het moment zelf te kiezen. Bij een schenking bepaalt u als ondernemer zelf wanneer de klok voor de bezitseis “genoeg” heeft gelopen en wanneer het moment rijp is; bij vererving ligt dat moment vast op de overlijdensdatum, ongeacht of de bezitseis dan toevallig net wel of net niet is vervuld.

De procedure: hoe wordt de BOR daadwerkelijk toegepast?

De BOR wordt niet automatisch toegekend. De verkrijger moet in de aangifte schenk- of erfbelasting expliciet een beroep doen op de regeling, en aannemelijk maken dat aan alle voorwaarden van de artikelen 35b tot en met 35e is voldaan. De inspecteur beoordeelt dit verzoek en legt vervolgens een aanslag op:

  • Voor het vrijgestelde deel: geen aanslag
  • Voor het belaste deel: een aanslag, waarbij op verzoek 10 jaar rentedragend uitstel van betaling kan worden verkregen
  • De voortzettingseis werkt door na de aanslag: wordt deze binnen de termijn van 3 jaar geschonden, dan volgt een naheffing voor het deel waarvoor de vrijstelling ten onrechte is toegepast

Tot slot

De BOR is geen eenmalige toets op het moment van schenken of erven, maar een samenstel van voorwaarden dat deels vooruit kijkt (de bezitseis) en deels vooruit doorwerkt (de voortzettingseis). Juist de combinatie van deze termijnen, de aanscherpingen rond “gewone aandelen” sinds 2025/2026, en de vele uitzonderingen bij herstructurering maken dit tot een van de meer technische onderdelen van de Successiewet. Een fout in de timing of in de structuur — ook als deze pas jaren na de overdracht aan het licht komt — kan de vrijstelling alsnog (deels) ongedaan maken.

Twijfelt u of uw situatie aan alle voorwaarden voldoet — nu, of over een paar jaar wanneer u de overdracht daadwerkelijk wilt laten plaatsvinden? Met de Quickscan bedrijfsopvolging brengt u de belangrijkste knelpunten in kaart. Voor een volledige beoordeling van uw structuur, inclusief de bezits- en voortzettingseis, plant u een adviesgesprek.

Adviesgesprek aanvragen →

Gerelateerd: Wat is de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en wie komt in aanmerking? · Wat verandert er in de BOR en DSR per 2026? · Zie ook de complete gids “De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR): de complete gids voor 2026” voor een uitgebreid doorgerekend rekenvoorbeeld.

Categorieën