Ga naar de hoofdinhoud
Inhoudsopgave
Afdrukken

Besluit 30 april 2026

Het Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026 geeft het beleid van het Ministerie van Financiën voor de bedrijfsopvolgingsregeling bij schenken en erven. Het verduidelijkt wanneer ondernemingsvermogen kwalificeert en bevat goedkeuringen voor bijzondere situaties. Deze samenvatting zet de belangrijkste regels en praktische aandachtspunten op een rij.

Besluit van 30 april 2026, nr. 2026-174, gepubliceerd op 22 mei 2026 en in werking vanaf 23 mei 2026. Samenvatting van de versie geraadpleegd op 7 oktober 2026.

1. Wat regelt dit besluit?

De bedrijfsopvolgingsregeling, meestal afgekort tot BOR, kan de schenk- of erfbelasting over kwalificerend ondernemingsvermogen verminderen. Het besluit beschrijft hoe de regeling wordt toegepast en wanneer de staatssecretaris een tegemoetkoming toestaat. Verschillende goedkeuringen berusten op de hardheidsclausule: ze verzachten een onredelijk harde uitkomst, maar alleen binnen de beschreven voorwaarden.

Het besluit vervangt het besluit van 17 januari 2013, zoals laatstelijk gewijzigd in 2024. Het sluit aan op de wet- en regelgeving voor de BOR vanaf 1 januari 2026. Voor verkrijgingen vóór 1 januari 2026 blijft het oude besluit relevant. Kijk daarom eerst naar de datum van de schenking of het overlijden. De ingangsdatum van dit beleidsbesluit en de datum waarop de onderliggende wetgeving wijzigt, zijn verschillende datums.

Niet iedere passage introduceert nieuw beleid. Het besluit verwerkt wetswijzigingen, herschikt onderdelen en verduidelijkt bestaande uitgangspunten. Het is bovendien geen volledige handleiding voor alle wettelijke BOR-voorwaarden. De Successiewet en de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting blijven bepalend.

2. Vraag de BOR tijdig aan

Een verzoek om toepassing van de BOR hoort bij de aangifte schenk- of erfbelasting. Een verzoek kan nog worden gedaan zolang de aanslag niet onherroepelijk vaststaat. Is dat moment voorbij, dan wordt de BOR niet alsnog ambtshalve toegepast. Leg het verzoek dus expliciet vast en bewaak de aangifte- en bezwaarprocedure.

Het BOR-verzoek kan tevens gelden als verzoek om het bijbehorende uitstel van betaling op grond van artikel 25, twaalfde lid, Invorderingswet. Voor een onderbedelingsvordering van een mede-erfgenaam geldt een aparte uitstelregeling. Daarvoor moet afzonderlijk een verzoek bij de ontvanger worden ingediend. Dat uitstel is niet automatisch gekoppeld aan een conserverende aanslag.

3. Ondernemingsvermogen: de structuur maakt verschil

Vastgoed in een afzonderlijke bv

Een vastgoed-bv die zelf geen onderneming drijft en een pand verhuurt aan een andere bv van dezelfde aandeelhouder, kwalificeert niet alleen door die gezamenlijke aandeelhouder voor de BOR. Ook een gelijktijdige schenking van beide aandelenpakketten lost dit niet vanzelf op.

Een holdingstructuur kan anders uitwerken. Houdt een holding zowel de werkmaatschappij als de vastgoed-bv en is aan de voorwaarden voor toerekening voldaan, dan worden hun bezittingen en schulden gezamenlijk aan de holding toegerekend. Het besluit geeft een voorbeeld waarin het pand dat de werkmaatschappij voor haar onderneming gebruikt daardoor ondernemingsvermogen vormt. De concrete eigendomsverhoudingen en het economische belang zijn dus essentieel.

Verkoop gevolgd door kwijtschelding

Wie een onderneming verkoopt en later de koopsom kwijtscheldt, schenkt in beginsel een vordering. Zo’n vordering is geen kwalificerend ondernemingsvermogen. Het besluit bevat een goedkeuring als de koopsom onmiddellijk na de bedrijfsoverdracht wordt kwijtgescholden: de overdracht kan dan voor de BOR als schenking van de onderneming worden behandeld. De goedkeuring geldt niet voor een tweede of volgende kwijtschelding bij een gefaseerde aanpak. Ook de overige BOR-voorwaarden moeten zijn vervuld.

Fictieve verkrijgingen

Ook een verkrijging die de Successiewet fiscaal als een erfrechtelijke verkrijging behandelt, kan onder de BOR vallen. Denk aan een verblijvingsbeding bij een personenvennootschap. De normale voorwaarden blijven gelden. Bij een schenking kort vóór het overlijden speelt daarnaast de regeling voor overlijden binnen 180 dagen; het besluit verwijst voor 2026 naar de tegemoetkoming in de Uitvoeringsregeling als de schenker bij de schenking aan de bezitseis voldeed.

Een waardestijging van aandelen die de opvolger al bezit doordat een pensioenverplichting bij overlijden vrijvalt, is iets anders. Bij de fictieve verkrijging van artikel 13a Successiewet gaat geen onderneming over. Daarvoor geldt de BOR niet.

4. Overlijden van een echtgenoot en huwelijkse voorwaarden

De juridische aanspraak in een nalatenschap is niet altijd hetzelfde als het ondernemingsvermogen waarmee de achterblijvende echtgenoot verder werkt. Het besluit bevat daarom gerichte goedkeuringen.

  • Gemeenschapsvermogen bij een eenmanszaak: overlijdt de echtgenoot die zelf geen ondernemer was, dan kan de ondernemende langstlevende onder voorwaarden de BOR toepassen op het verkregen ondernemingsdeel. De ondernemer moet onder meer voldoen aan de vereiste bezitsperiode en de onderneming drie jaar voortzetten.
  • Aandeel in een personenvennootschap: de nalatenschap kan een verrekenvordering bevatten in plaats van het vennootschapsaandeel zelf. De goedkeuring ziet op de ondernemende echtgenoot die deze aanspraak verkrijgt. Kinderen die alleen een vordering krijgen, zijn daardoor geen bedrijfsopvolgers voor de BOR. Voor hun onderbedelingsvordering kan wel de afzonderlijke uitstelregeling relevant zijn.
  • Finaal verrekenbeding: onder voorwaarden kan de BOR gelden voor een door overlijden ontstane verrekenvordering die de langstlevende verkrijgt, voor zover die betrekking heeft op diens eigen kwalificerende onderneming. Deze goedkeuring betreft erfbelasting, niet een algemene faciliteit voor verrekeningen tijdens leven.

Bij het finale verrekenbeding gaat het om het relevante nettosaldo en de verhouding tussen ondernemingsvermogen en ander vermogen. Voorbeeld uit het besluit: de langstlevende heeft een onderneming van 100 en de overleden echtgenoot ander vermogen van 60. De verrekenvordering in de nalatenschap bedraagt 20. Verkrijgt de ondernemer deze vordering, dan kan onder de voorwaarden van het besluit de BOR voor 20 gelden. Bestaat het vermogen van de ondernemer deels uit privévermogen, dan is slechts een evenredig gedeelte van de verkregen vordering relevant.

5. Overdracht via holdings en bijzondere aandelen

Indirecte schenking

De BOR is primair ingericht op een directe verkrijging van aandelen. Het besluit keurt onder voorwaarden ook bepaalde indirecte overdrachten goed, bijvoorbeeld wanneer een holding aandelen in de werkmaatschappij aan de opvolger schenkt of wanneer aandelen aan diens holding worden geschonken. De goedkeuring geldt voor de beschreven varianten en laat de overige BOR-voorwaarden intact.

De voortzetting moet op de relevante niveaus worden bewaakt. Afhankelijk van de variant mogen gedurende drie jaar ook de aandelen in tussenliggende vennootschappen niet geheel of gedeeltelijk worden vervreemd. De overgedragen onderneming moet blijven bestaan. Alleen kijken naar het aandelenbezit van de opvolger persoonlijk is daarom onvoldoende.

Preferente aandelen

Sinds 1 januari 2026 bevat de Successiewet een definitie van preferente aandelen. De BOR geldt hiervoor slechts onder voorwaarden. Een belangrijk punt is dat de verkrijger bij de verkrijging ten minste 5% van het geplaatste kapitaal moet houden in de relevante gewone aandelen die bij de omzetting zijn toegekend. Dat belang mag, binnen de beschreven regels, direct of indirect worden gehouden. Een historisch belang van 5% dat inmiddels is afgenomen, is niet genoeg.

Het besluit bevat bijzondere goedkeuringen voor preferente aandelen die vóór 2010 zijn ontstaan. Bij omzetting van gewone aandelen is onder meer vereist dat destijds een ander gewone aandelen hield en dat de verkrijger bij de latere verkrijging het vereiste belang in juist die aandelen bezit. Voor een vóór 2010 ontstane verkoopvordering geldt een aparte, beperkte goedkeuring wanneer die op de dag van de aandelenoverdracht in preferente aandelen is omgezet; ook de overige specifieke voorwaarden blijven gelden. Een gewone schuldig gebleven koopsom kwalificeert niet alsnog door haar ouderdom.

Daarnaast is er een goedkeuring voor cumulatief preferente aandelen bij bepaalde geruisloze omzettingen en inbrengen door samenwerkingspartners. De gewone en preferente aandelen moeten naar evenredigheid gekoppeld blijven en samen worden verkregen. Dit kan ook spelen bij persoonlijke holdings met een gezamenlijke werkmaatschappij. De goedkeuring betreft uitsluitend de preferente aandelen die in verband met de bedoelde omzetting zijn verkregen.

Vruchtgebruik, bloot eigendom en tracking stocks

Ook de verkrijging van vruchtgebruik of bloot eigendom van kwalificerende aandelen kan onder de BOR vallen. Bijvoorbeeld wanneer de langstlevende het vruchtgebruik krijgt en de kinderen de bloot eigendom. Bij een turboverdeling geldt een beperking voor het deel waartoe de vruchtgebruiker al krachtens huwelijksvermogensrecht gerechtigd was.

Bij tracking stocks wordt gekeken naar het werkelijke economische belang in de onderliggende activiteiten. Aandelen die uitsluitend recht geven op de resultaten van werkmaatschappij X, geven niet automatisch een indirect belang in werkmaatschappij Y. De toerekening moet aansluiten op die economische gerechtigdheid.

6. Bezitseis: veranderingen kunnen een nieuwe termijn veroorzaken

De bezitseis moet reële bedrijfsopvolging waarborgen. Neemt de gerechtigdheid tot een onderneming tijdens de bezitsperiode toe, dan begint voor die uitbreiding in beginsel een nieuwe bezitsperiode. Dat kan ook indirect gebeuren door aankoop, uitgifte of inkoop van aandelen of een herstructurering. Een onderneming die al lang bestaat, betekent dus niet dat ieder later uitgebreid belang direct aan de bezitseis voldoet.

Certificering of decertificering van direct gehouden aandelen tijdens de bezitsperiode heeft op grond van de goedkeuring geen gevolgen voor de bezitseis als aandelen en certificaten kunnen worden vereenzelvigd volgens onderdeel 5.6 van het Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025.

Ook verlettering voor een eigen dividendpolitiek kan onder voorwaarden zonder nieuwe bezitsperiode plaatsvinden. De wijziging moet beperkt blijven tot het opbouwen en beschikken over eigen reserves en goodwill; bij de verlettering moeten de oude en nieuwe aandelen te vereenzelvigen zijn. Een latere ongelijke reserveopbouw kan hybride aandelen opleveren. Voor het preferente gedeelte kan dat vervolgens gevolgen hebben voor het voortzettingsvereiste.

Voor aandelen uit een huwelijksgemeenschap mag de langstlevende onder voorwaarden aansluiten bij het eigen fiscale aandeel van vóór het overlijden. Het besluit geeft het voorbeeld van 200 gemeenschappelijke aandelen, waarvan ieder fiscaal 100 bezat. Na vererving bezit de langstlevende 200 aandelen en schenkt twee jaar later 120 aandelen. Voor 100 kan de eerdere bezitsperiode worden benut; voor de overige 20 niet.

7. Verdeling van de nalatenschap: bewaak twee jaar

Een verdeling van een nalatenschap of huwelijksgemeenschap kan veranderen wie het ondernemingsvermogen verkrijgt. De regeling van artikel 35f Successiewet kan rekening houden met zo’n verdeling als deze binnen twee jaar na overlijden plaatsvindt.

Als moment van verdeling kan gelden wanneer partijen wederzijds overeenstemming hebben over zowel de toedeling van de goederen als de financiële gevolgen. Alleen overeenstemming dat één erfgenaam uiteindelijk de onderneming zal krijgen, is dus onvoldoende. De wettelijke verdeling met een langstlevende en kinderen vindt van rechtswege plaats en valt niet onder deze regeling van artikel 35f.

In zeer bijzondere omstandigheden kan de inspecteur op verzoek een redelijke verlenging toestaan, bijvoorbeeld bij overmacht. Het verzoek moet binnen de oorspronkelijke tweejaarstermijn worden ingediend. Is de vertraging veroorzaakt door de Belastingdienst, dan wordt het verzoek volgens het besluit gehonoreerd. De goedkeuring geldt ook voor de specifiek genoemde verdelingssituaties in de Uitvoeringsregeling.

8. Voortzetting: inkomstenbelasting en BOR zijn afzonderlijke toetsen

Voor de verkrijgingen waarop dit besluit ziet, staat een voortzettingsperiode van drie jaar centraal. De vrijstelling kan geheel of gedeeltelijk vervallen als de opvolger ophoudt winst te genieten, aandelen vervreemdt of de vennootschap de onderneming geheel of gedeeltelijk staakt.

Een doorschuifregeling voor de inkomstenbelasting voorkomt dit niet automatisch. Wie binnen de voortzettingsperiode een vof aangaat onder voorbehoud van stille reserves, hoeft voor de inkomstenbelasting mogelijk nog niet over stakingswinst af te rekenen. Voor de BOR kan tegelijk wel sprake zijn van gedeeltelijk ophouden winst te genieten. Voor een opvolger die al vóór de BOR-verkrijging deelnam in een samenwerkingsverband geldt de bijzondere wettelijke toets aan diens eerdere winstaandeel.

Ook een afname van het indirecte belang van een holding in de werkmaatschappij kan gedeeltelijk verlies van de BOR veroorzaken. Een vervangingsvoornemen of herinvestering is op zichzelf geen oplossing. De Uitvoeringsregeling bevat wel uitzonderingen die op verzoek en onder voorwaarden kunnen gelden; deze zijn vanaf 2026 uitgebreid. Bij toegestane wijzigingen moet ook de vervolgens ontstane structuur aan de relevante voorwaarden blijven voldoen.

Certificering en decertificering tijdens de voortzetting hoeven geen verlies van de vrijstelling te veroorzaken als aan de voorwaarden voor vereenzelviging is voldaan. Beoordeel daarom vóór iedere wijziging van aandelenrechten, winstrechten of concernstructuur het effect op de BOR.

9. Waardering en latente inkomstenbelasting

Voor de Successiewet wordt een onderneming als eenheid gewaardeerd, met in beginsel de liquidatiewaarde als ondergrens. Binnen de BOR bestaat een specifieke regeling wanneer de waarde bij voortgezette bedrijfsuitoefening, de goingconcernwaarde, lager is dan de liquidatiewaarde. Dit verschil is vooral relevant bij ondernemingen met veel kapitaal en een laag rendement.

Latente inkomstenbelasting moet evenredig worden toegerekend aan het vrijgestelde en het niet-vrijgestelde vermogen. Voor het deel dat aan vrijgesteld vermogen wordt toegerekend, ontstaat niet nog een extra vermindering van de belaste verkrijging. Een berekening waarbij de volledige belastinglatentie alleen op het belaste restant wordt afgetrokken, sluit dus niet aan bij het besluit.

10. Agrarische ondernemingen: één samenhangend rekenmodel

Voor veehouderij- en akkerbouwbedrijven staat het besluit een praktische waardering toe met genormeerde geldstromen. De rekenmodule bepaalt de goingconcernwaarde bij een veronderstelde oneindige voortzetting, op basis van de financieringsruimte. De uitgangspunten vormen één samenhangend geheel: selectief gunstige onderdelen kiezen is niet toegestaan.

De berekening werkt met genormeerde geldstromen vóór belasting, niet met fiscale winst. Incidentele posten, rente en mutaties van vreemd vermogen worden voor de geldstroomberekening geëlimineerd. Er wordt rekening gehouden met arbeid volgens de KWIN-gegevens. Vennootschapsvermogen en buitenvennootschappelijk vermogen vormen samen één onderneming voor de berekening.

Pacht, huur, GLB-premies en mestafzetkosten worden volgens de eigen voorschriften afzonderlijk verwerkt. Ondernemingsactiva die de genormeerde geldstroom niet beïnvloeden, zoals bepaalde financiële vaste activa, worden afzonderlijk gewaardeerd. Het saldo van voorraden, vorderingen, liquide middelen en kortlopende schulden blijft bij deze waardebepaling buiten beschouwing; langlopende schulden worden tegen de relevante waarde in mindering gebracht.

De normen en disconteringsvoet worden jaarlijks vastgesteld. Gebruik de gegevens voor het jaar van verkrijging. Wie van de uitgangspunten wil afwijken, moet een eigen onderbouwde waardering maken en kan daarvoor niet op deze goedkeuring steunen. Andere ondernemingen dan veehouderij- of akkerbouwbedrijven kunnen de rekenmodule niet toepassen.

11. Praktische voorbereiding van een bedrijfsopvolging

  • Bepaal welke wettelijke regels en welk beleidsbesluit horen bij de datum van verkrijging.
  • Breng het ondernemingsvermogen, beleggingsvermogen en de directe en indirecte belangen afzonderlijk in kaart.
  • Onderbouw de bezitsperiode, ook voor uitbreidingen en gewijzigde aandelenrechten.
  • Toets huwelijkse voorwaarden, testament en boedelverdeling aan de specifieke goedkeuringen.
  • Leg vast op welke goedkeuring een beroep wordt gedaan en waarom aan alle voorwaarden is voldaan.
  • Dien het BOR-verzoek tijdig in; vraag afzonderlijk uitstel aan waar dat nodig is.
  • Bewaak de voortzettingsperiode en beoordeel voorgenomen wijzigingen vooraf.
  • Onderbouw de waardering en verdeel een eventuele belastinglatentie correct.

De rode draad is dat de BOR aansluit bij daadwerkelijk overgedragen ondernemingsvermogen en daadwerkelijke voortzetting. De goedkeuringen bieden ruimte voor bijzondere familie- en ondernemingsstructuren, maar iedere goedkeuring heeft haar eigen begrenzing. Een faciliteit voor de inkomstenbelasting of een civielrechtelijk passende verdeling garandeert daarom niet vanzelf dat ook de BOR behouden blijft.

Bron en volledige tekst

Deze samenvatting is gebaseerd op het aangeleverde Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026, nr. 2026-174, met name onderdelen 1 tot en met 10. Raadpleeg voor de precieze voorwaarden de officiële publicatie in Staatscourant 2026, 17060 en de tekst op wetten.overheid.nl.

Categorieën