Ga naar de hoofdinhoud
Inhoudsopgave
Afdrukken

Meest recente rechtspraak bedrijfsopvolging

Rechtspraak · Bijgewerkt op 6 oktober 2026. De uitspraken zien op de wetgeving en feiten van de betreffende overdracht; latere wetswijzigingen kunnen de uitkomst voor nieuwe overdrachten veranderen.

De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) wordt voortdurend verder ingekleurd door de rechtspraak. Dit overzicht bundelt de belangrijkste recente uitspraken die relevant zijn voor de praktijk — van de bezitseis tot de behandeling van vastgoed — met per zaak een korte, praktische samenvatting.

De bezitseis bij uitbreiding en splitsing van een onderneming

De voorgeschiedenis: Hof Den Bosch, 17 september 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2883. Het hof aanvaardde aanvankelijk een ruime toepassing van de bezitseis na de splitsing van het concern met hoor- en optiekactiviteiten. Dit oordeel is niet de eindstand: de Hoge Raad vernietigde de uitspraak op 21 april 2023 (ECLI:NL:HR:2023:647). Na verwijzing volgde de definitieve beslissing van 30 januari 2026, hieronder besproken.

De zaak "Horen en Zien" — nu definitief beslist. Deze zaak sleepte zich al jaren voort en is inmiddels afgerond, met een uitkomst die het beeld preciezer maakt dan we eerder konden melden. Een moeder hield via haar holding indirect 49% in een vennootschap met daaronder dochtermaatschappijen die zich bezighielden met hoorcentra ("horen") en optiekcentra ("zien"); de overige 51% was in handen van een neef. Via een "ruziesplitsing" in 2011 werd het concern feitelijk uit elkaar getrokken: moeder kreeg via haar holding het volledige belang in de "horen"-tak, inclusief het bijbehorende bedrijfspand. In 2013 schonk zij haar aandelen in de nieuwe holding aan haar zoon, met een beroep op de BOR.

De inspecteur paste de BOR slechts toe voor 49% van de waarde — het deel waartoe moeder vóór de splitsing al gerechtigd was. Na een lange cassatieprocedure, verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden en een nieuwe cassatieronde, heeft de Hoge Raad dit op 30 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:137) definitief bevestigd: het cassatieberoep van de belastingplichtige is ongegrond verklaard.

De kernregel die de Hoge Raad hier formuleert, is bruikbaar in de praktijk:

  • Wordt de onderneming zelf uitgebreid (bijvoorbeeld door een overname), terwijl het (indirecte) belang van de aandeelhouder daarin procentueel gelijk blijft? Dan gaat er geen nieuwe bezitstermijn lopen voor die uitbreiding.
  • Wordt daarentegen het procentuele belang van de aandeelhouder in een al bestaande onderneming vergroot — zoals hier, door de splitsing waarmee moeder van 49% naar 100% ging in de "horen"-tak — dan gaat voor dát vergrote deel wél een nieuwe, eigen bezitstermijn van 5 jaar lopen.

Praktisch belang: dit onderscheid — groei van de onderneming versus groei van uw eigen belang daarin — is cruciaal bij elke herstructurering vóór een bedrijfsopvolging. Een autonome uitbreiding van dezelfde objectieve onderneming bij een gelijkblijvende gerechtigdheid begint niet zonder meer een nieuwe bezitstermijn; een vergroting van de indirecte gerechtigdheid tot een afzonderlijke onderneming kan dat wel doen.

Hoge Raad, 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:990, BNB 2021/2. Een holding met drie directe en één indirecte deelneming schonk aandelen aan een zoon. Twee van de vier deelnemingen waren op het moment van schenking korter dan 5 jaar in het bezit van de holding. De Hoge Raad oordeelde hier in het voordeel van de inspecteur: voor deze twee deelnemingen was niet aan de bezitseis voldaan, zodat de BOR-vrijstelling daarvoor niet gold — ook al voldeed de holding verder aan alle overige voorwaarden.

Praktisch belang: dit arrest bevestigt dat bij een holding met meerdere deelnemingen de bezitseis per afzonderlijke objectieve onderneming wordt getoetst. De juridische deelnemingsstructuur alleen is daarbij niet beslissend. Het vormt tevens de juridische basis waarop de Hoge Raad in de "Horen en Zien"-zaak hierboven voortbouwt.

⚠ Rechtbank Noord-Nederland, 16 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1208 (beroepsstatus niet vastgesteld). Een derde, nog preciezere variant op hetzelfde thema. Een moeder schonk certificaten van aandelen aan haar dochter, die zij al langer dan 5 jaar bezat. In de tussenliggende periode had de vennootschap echter eigen aandelen ingekocht van een broer van de begiftigde — waardoor het percentage dat de later geschonken certificaten van de moeder vertegenwoordigden, mechanisch toenam van 6% naar 7,55%, zonder dat de moeder zelf certificaten bijkocht of dat de onderneming zelf veranderde. De inspecteur paste de BOR niet toe op dit "toegenomen" deel, met een beroep op het hierboven genoemde arrest van 30 januari 2026.

De rechtbank maakte hier echter nadrukkelijk onderscheid: anders dan bij "Horen en Zien" was hier geen sprake van een actieve uitbreiding van het belang van de schenker, en evenmin van een wijziging in de onderneming van de BV zelf. De toename was een zuiver rekenkundig gevolg van de inkoop van andermans aandelen. De rechtbank oordeelde dat de BOR daarom gewoon van toepassing is op de volledige verkrijging, inclusief het door de aandeleninkoop "toegenomen" percentage.

Praktisch belang: dit laat zien dat niet elke procentuele toename van uw belang een nieuwe bezitstermijn laat ontstaan — het gaat erom óf uzelf (of de vennootschap waarin u een belang houdt) de gerechtigdheid tot de onderneming actief heeft vergroot. In deze zaak betrof het dezelfde rechtstreeks gehouden certificaten en een ongewijzigde materiële onderneming. De rechtbank paste de destijds geldende wet toe; dit oordeel is geen algemene uitzondering voor iedere aandeleninkoop of latere overdracht. Let wel: dit is een rechtbankuitspraak; de Belastingdienst kan hoger beroep instellen, dus dit kan nog worden bijgesteld door het gerechtshof of de Hoge Raad.

De voortzettingseis: verhuur van een gehele onderneming

Hof Den Bosch, 29 juli 2021. Vader schonk in 2014 aandelen in zijn holding aan zijn kinderen, met toepassing van de BOR. Eén jaar later, in 2015 — dus ruim binnen de toenmalige voortzettingstermijn van 5 jaar — werd het benzinestation dat tot de onderneming behoorde, verhuurd aan een derde partij buiten het concern. De inspecteur trok de BOR in en legde een navorderingsaanslag schenkbelasting op, met als redenering dat de voortzettingseis was geschonden.

Het hof oordeelde anders. Omdat de BOR voor haar uitleg aansluit bij het ondernemingsbegrip uit de inkomstenbelasting, en het verhuren van een gehele onderneming (in plaats van losse bedrijfsmiddelen) binnen die wetgeving niet als staking geldt, bleef de onderneming fiscaal gezien "binnen het concern" — de voortzettingseis werd dus niet geschonden.

Praktisch belang: dit onderscheid — het verhuren van een complete onderneming versus het afstoten van losse bedrijfsonderdelen — is relevant als u na een schenking nog wijzigingen in de bedrijfsvoering overweegt binnen de voortzettingsperiode. Een volledige verhuur hoeft de BOR niet in gevaar te brengen; het losraken van bedrijfsmiddelen wel.

De betekenis van het Pottenbakkersarrest voor de BOR

Hoge Raad, 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1054. Het oorspronkelijke Pottenbakkersarrest dateert van 29 augustus 1997 (ECLI:NL:HR:1997:AA2251). Het arrest uit 2023 verduidelijkt de beperkte betekenis daarvan voor de BOR. De Hoge Raad oordeelde dat voor de toepassing van de BOR alleen vermogensbestanddelen meetellen die op het moment van de overdracht zelf daadwerkelijk voor ondernemingsdoeleinden worden gebruikt. Het leerstuk van keuzevermogen — waarbij een pand met gemengd gebruik naar keuze aan het ondernemings- of het privévermogen kon worden toegerekend, mede op basis van eerder gebruik — werkt niet door naar de BOR.

Praktisch belang: een pand dat inmiddels uitsluitend als belegging functioneert, telt niet mee als ondernemingsvermogen voor de BOR, ook al zou het voor de winstbelasting nog als zodanig kwalificeren. Sinds 2024 geldt daarnaast een wettelijke regel voor aan derden verhuurd vastgoed. Beoordeel die regel afzonderlijk: de kwalificatie volgens oudere rechtspraak is niet zonder meer de toets voor een nieuwe overdracht.

Vastgoed en de materiële onderneming

Al vóór het Pottenbakkersarrest leverde de combinatie van vastgoed en de BOR voortdurend discussie op — de vraag was en is: wanneer gaat vastgoedexploitatie de grens van "normaal vermogensbeheer" te boven, zodat er sprake is van een echte (materiële) onderneming?

  • Hoge Raad, 7 oktober 1981, BNB 1981/299. Dit oudere arrest legde al de basisregel vast voor wanneer vastgoedexploitatie de grens van normaal vermogensbeheer overstijgt — een toetssteen die decennia later nog altijd wordt toegepast.
  • Diverse uitspraken uit 2021 behandelden de vraag of een vastgoed-bv met enkele medewerkers in dienst (belast met beheer, toezicht en administratie) een materiële onderneming drijft. De uitkomst hing sterk af van de feitelijke omvang van de activiteiten: alleen administratief beheer is onvoldoende, maar bij voldoende omvang, actief beheer en een reëel afwijkend rendement kan een vastgoedportefeuille wél als onderneming kwalificeren.
  • Hoge Raad, 18 juni 2021 (een cluster van vijf arresten, ECLI:NL:HR:2021:951 t/m 955). Erfgenamen verkregen (certificaten van) aandelen in drie vennootschappen die zich zowel bezighielden met projectontwikkeling als met verhuur van vastgoed — een omvangrijke portefeuille van circa 300 objecten met bijna 2.800 verhuurbare eenheden, met zo'n 42 werknemers in dienst. Rechtbank en hof oordeelden dat de BOR alleen kon worden toegepast op het deel van het vermogen dat toerekenbaar was aan de projectontwikkelingstak — de verhuuractiviteiten op zichzelf vormden geen materiële onderneming, óók niet gezien de omvang van de portefeuille en de professionele organisatie eromheen. De Hoge Raad bevestigde dit uitgangspunt, maar verwees de zaak wel terug voor nader onderzoek: het hof had onvoldoende gemotiveerd welk deel van het vermogen in redelijkheid nog aan de projectontwikkelingstak kon worden toegerekend.

Praktisch belang: bij een vastgoed-bv is zorgvuldige documentatie van de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten (omvang van de portefeuille, mate van actief beheer, inzet van eigen personeel versus ingehuurde partijen) essentieel om bij een geschil met de Belastingdienst te kunnen aantonen dat er sprake is van een echte onderneming.

Overtollige liquiditeiten en beleggingsvermogen

De hoofdregel voor liquiditeiten. Middelen die duurzaam overtollig zijn, behoren niet tot het voor de BOR kwalificerende ondernemingsvermogen. Een concreet onderbouwde behoefte aan werkkapitaal of investeringsmiddelen kan tot een andere uitkomst leiden. Het gaat om functie en omvang van de buffer, beoordeeld naar de relevante overdrachtsdatum.

Recentere uitwerking: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5898. Deze uitspraak werkt de spelregels rond liquide middelen en effecten verder uit: zonder concrete, onderbouwde plannen voor besteding binnen de onderneming worden liquiditeiten en effecten als beleggingsvermogen aangemerkt, ook als de ondernemer zelf van mening is dat deze "voor de zekerheid" worden aangehouden.

Praktisch belang: overtollige liquiditeiten zijn een van de meest voorkomende valkuilen bij de BOR. Kunt u niet concreet onderbouwen (met plannen, begrotingen of lopende onderhandelingen) waarvoor liquide middelen binnen de bv worden aangehouden, dan loopt u het risico dat de Belastingdienst dit deel als beleggingsvermogen aanmerkt.

⚠ Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9141 (beroepsstatus niet vastgesteld). Deze zaak betreft de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting (artikel 4.17c Wet IB 2001), niet een aanslag schenkbelasting met toepassing van de BOR. De beoordeling van ondernemingsvermogen is wel relevant voor bedrijfsopvolging. De uitkomst is gemengd. Een echtpaar schonk aandelen in hun holding aan hun dochter. De holding bezat, naast een 45%-deelneming in een machineverhuurbedrijf, een verhuurd bedrijfspand met kantoorruimtes en een verhuurde woning, plus €700.000 aan liquide middelen.

De rechtbank beoordeelde alle drie de vermogensbestanddelen afzonderlijk:

  • Het verhuurde bedrijfspand: geen ondernemingsvermogen. De ingehuurde beheerder en interieurverzorger verrichtten werkzaamheden die niet verder gingen dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer, en een hoger rendement dan normaal vermogensbeheer was niet aannemelijk gemaakt — de zogeheten arbeid-plus- en rendement-plustoets (ontleend aan oudere jurisprudentie) werden dus niet gehaald.
  • De verhuurde woning: eveneens geen ondernemingsvermogen. Er waren ooit projectontwikkelingsplannen, maar de bv had hiervoor zelf geen actieve arbeid verricht — zij was afhankelijk van een buurman die zijn eigen plannen uiteindelijk niet doorzette. Enkel "hopen op een toekomstige ontwikkeling" is onvoldoende.
  • De €700.000 aan liquide middelen: wél ondernemingsvermogen. Uit vergadernotulen en daadwerkelijk gedane investeringen in de jaren erna bleek dat dit bedrag concreet was gereserveerd voor vervangingsinvesteringen in het machinepark — en dus niet duurzaam overtollig was.

Praktisch belang: deze zaak laat opnieuw zien hoe strikt de arbeid-plus- en rendement-plustoets voor vastgoed wordt toegepast, en bevestigt tegelijk dat liquide middelen wél kunnen kwalificeren als dit met concrete, tijdig vastgelegde plannen (notulen, begrotingen, latere daadwerkelijke besteding) wordt onderbouwd — "we gaan het misschien investeren" is onvoldoende, een concreet, gedocumenteerd voornemen plus latere uitvoering wel.

Overdrachtsbelasting: de doorkijkarresten

Hoge Raad, 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110 en ECLI:NL:HR:2018:2200. Deze arresten zijn relevant wanneer aandelen worden verkregen in een onroerendezaaklichaam (OZR) — een rechtspersoon waarvan het vermogen overwegend uit onroerend goed bestaat. De arresten verduidelijken onder welke voorwaarden bij zo'n verkrijging een beroep kan worden gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij bedrijfsopvolging, met name wanneer sprake is van een indirect belang via een tussenliggende deelneming.

Praktisch belang: bij een bedrijfsopvolging waarbij vastgoed via een aparte rechtspersoon wordt gehouden, is het zaak vooraf te toetsen of de structuur voldoet aan de voorwaarden uit deze arresten — anders kan alsnog overdrachtsbelasting verschuldigd zijn, los van de BOR-vrijstelling voor de schenk- of erfbelasting.

⚠ Rechtbank Noord-Holland, 14 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9184 (beroepsstatus niet vastgesteld). Een actuele en voor de praktijk belangrijke zaak over de bedrijfsopvolgingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting (een aparte vrijstelling naast de BOR in de Successiewet, voor de verkrijging van goederen die tot een onderneming behoren). Een vader hield, via een holding en een stichting administratiekantoor, een belang van 34% in een werkmaatschappij. Hij schonk 90% van de certificaten van aandelen in zijn holding aan zijn vier kinderen.

De inspecteur weigerde de vrijstelling op drie gronden: (1) de holding zelf zou geen materiële onderneming drijven, (2) de kinderen zouden de onderneming niet volledig voortzetten omdat zij geen volledige zeggenschap kregen, en (3) de vrijstelling zou sowieso niet gelden voor certificaten zonder stemrecht. De rechtbank verwierp alle drie de stellingen:

  • Het 34%-belang in de werkmaatschappij wordt, via de toerekeningsregels, aan de holding toegerekend, waardoor de holding wél een materiële onderneming drijft — een minderheidsbelang staat dit niet in de weg.
  • Volledige zeggenschap is geen vereiste voor de voortzettingseis — nergens in de wet of de wetsgeschiedenis is dit terug te vinden. Ook een schriftelijk overnameplan of bestuurderschap is niet vereist.
  • Certificaten zonder stemrecht kunnen worden vereenzelvigd met de onderliggende aandelen, mits het volledige economische belang bij de certificaathouder ligt en deze de onderneming voortzet — ontleend aan eerdere Hoge Raad-rechtspraak over interne reorganisaties, die de rechtbank hier van overeenkomstige toepassing acht.

Praktisch belang: dit is goed nieuws voor familiebedrijven die werken met certificering (bijvoorbeeld via een STAK) en een gefaseerde overdracht zonder meteen volledige zeggenschap te geven — twee praktijken die bij bedrijfsopvolging veelvuldig worden ingezet. De rechtbank bevestigt dat dit de toepassing van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting niet in de weg staat. Let wel: deze rechtbankuitspraak verwijst ook naar Hof Amsterdam 28 mei 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1492). De beroepsstatus van de besproken rechtbankzaak is niet vastgesteld, dus volg het dossier.

Aftrekbaarheid van BOR-advieskosten bij de vennootschap

⚠ Rechtbank Gelderland, 20 augustus 2025 (gepubliceerd 22 oktober 2025), ECLI:NL:RBGEL:2025:7096, AWB 23/3623 (status hoger beroep niet bekend). Een zaak die niet over de BOR-voorwaarden zelf gaat, maar over een vraag die elke ondernemer met een bedrijfsopvolgingstraject raakt: mag de vennootschap de advieskosten voor de bedrijfsopvolging van haar aandeelhouder ten laste van de winst brengen?

Een bv had, na een herstructurering via afsplitsing, circa €31.000 aan advieskosten voor de begeleiding van een schenking van aandelen (met toepassing van de BOR) aan de zonen van de aandeelhouder ten laste van haar winst gebracht. De inspecteur merkte dit aan als een verkapte winstuitdeling: de kosten waren volgens hem gemaakt ter bevrediging van de persoonlijke wens van de aandeelhouder om zijn vermogen over te dragen, niet ten behoeve van de vennootschap zelf.

De rechtbank volgde de inspecteur. De schenking en de daarvoor benodigde advisering raakten de bedrijfsvoering van de vennootschap niet — het was de aandeelhouder die zijn aandelen wilde schenken, niet de vennootschap die hier een zakelijk belang bij had. Dat de bedrijfsopvolging de continuïteit van de onderneming dient (het klassieke argument vóór de BOR als wettelijke regeling) maakt de advieskosten zelf nog niet zakelijk: dat is volgens de rechtbank een andere vraag dan de rechtvaardiging voor de BOR als zodanig. Ook het feit dat de onderliggende afsplitsing fiscaal gefaciliteerd kon plaatsvinden, verandert dit oordeel niet.

Praktisch belang: dit is een belangrijke waarschuwing voor de praktijk. BOR-advieskosten (fiscaal advies, begeleiding van de schenking, structurering) worden volgens deze rechtbank als privékosten van de aandeelhouder gezien, niet als zakelijke kosten van de vennootschap. Laat de vennootschap deze kosten ten laste van haar winst brengen, dan loopt u het risico op een correctie wegens verkapte winstuitdeling — met de nodige vervolgvragen over de aanmerkelijkbelangheffing bij de aandeelhouder. Het is verstandiger deze kosten vooraf duidelijk aan de aandeelhouder(s) persoonlijk toe te rekenen, of in elk geval goed te documenteren welk zakelijk belang de vennootschap zelf bij de advisering had.

Wat deze lijn in de rechtspraak laat zien

Een aantal terugkerende thema's valt op in deze rechtspraak:

  • De toets wordt steeds strikter toegepast op het moment van overdracht zelf, in plaats van op basis van eerder of toekomstig gebruik (Pottenbakkersarrest).
  • Vastgoed blijft het meest bediscussieerde onderdeel van de BOR — eerst via de band van "materiële onderneming", sinds 2024 via de harde wetswijziging voor verhuurd vastgoed.
  • Overtollige liquiditeiten vormen een stille valkuil: zonder concrete onderbouwing van het doel, kwalificeren deze simpelweg niet, ongeacht de intentie van de ondernemer.
  • Structuurwijzigingen (splitsing, fusie) hoeven de bezitseis niet te onderbreken voor organisch gegroeide belangen, zolang de materiële onderneming dezelfde blijft — maar voor een nieuw, via een recente splitsing verkregen deelbelang begint de bezitstermijn wél opnieuw te lopen, zoals de "Horen en Zien"-zaak laat zien.
  • De voortzettingseis kijkt naar de onderneming als geheel, niet naar elk afzonderlijk bedrijfsmiddel. Het verhuren van een complete onderneming aan een derde hoeft geen schending op te leveren, zolang dit niet als een staking in de zin van de inkomstenbelasting geldt.
  • Niet elke procentuele toename van uw belang is gelijk. Een actieve vergroting van uw belang (zoals bij "Horen en Zien") start een nieuwe bezitstermijn voor het vergrote deel; een zuiver rekenkundige toename door inkoop van aandelen van een ándere aandeelhouder doet dat volgens één rechtbank juist niet.
  • Certificering en gefaseerde zeggenschap staan de bedrijfsopvolgingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting niet in de weg — een belangrijke bevestiging voor familiebedrijven die met een STAK werken.
  • BOR-advieskosten zijn volgens de rechtbank Gelderland privékosten van de aandeelhouder, niet zomaar aftrekbaar bij de vennootschap — een praktisch punt dat los staat van de BOR-voorwaarden zelf, maar wel direct de portemonnee raakt.

Als fiscalist en adviseur

Ik houd deze jurisprudentie structureel bij, juist omdat de BOR een regeling is die zich voor een belangrijk deel buiten de wettekst om verder ontwikkelt — via de rechter. Een structuur die vandaag aan alle voorwaarden voldoet, kan door een volgend arrest alsnog kwetsbaar blijken. Dit is precies waarom een periodieke toetsing van uw bedrijfsstructuur aan de actuele stand van de rechtspraak waardevol is, ook als er op korte termijn geen bedrijfsopvolging gepland staat.

Tot slot

De rechtspraak rond de BOR blijft in beweging, met het Pottenbakkersarrest als recent kantelpunt in hoe strikt "ondernemingsvermogen" wordt getoetst. Wilt u weten of uw eigen structuur overeind blijft in het licht van deze jurisprudentie?

Adviesgesprek aanvragen →


Gerelateerd: Bekijk alle artikelen over bedrijfsopvolging.


Status van de besproken rechtbankuitspraken: op basis van de geraadpleegde publicaties is niet vastgesteld of hoger beroep is ingesteld of de uitspraken inmiddels onherroepelijk zijn. Een rechtbankuitspraak is niet uitsluitend door de instantie automatisch nog vatbaar voor beroep: ook de beroepstermijn en een eventueel ingesteld rechtsmiddel zijn bepalend. De genoemde vijfjaarstermijnen horen bij de historische zaken. Toets een nieuwe overdracht steeds aan de actuele wet en het toepasselijke overgangsrecht.

Categorieën