Ga naar de hoofdinhoud
Inhoudsopgave
Afdrukken

Rekenvoorbeeld: goingconcernwaarde versus liquidatiewaarde bij de BOR

Bij het erven of schenken van een onderneming is de waardering van die onderneming bepalend voor de omvang van de BOR-vrijstelling. Daarbij is een vaak onderschat punt: welke waarderingsmethode u hanteert — de goingconcernwaarde of de liquidatiewaarde — kan een aanzienlijk verschil maken in de uitkomst.

Het verschil tussen beide methodes

De goingconcernwaarde is de waarde van de onderneming als lopend, functionerend bedrijf: inclusief de goodwill, de klantrelaties, het team en het toekomstig verdienvermogen. Dit is de waarde die een koper zou betalen om de onderneming te kunnen voortzetten zoals deze nu functioneert.

De liquidatiewaarde is de waarde die zou overblijven als de onderneming zou worden beëindigd en alle bezittingen afzonderlijk zouden worden verkocht: de machines, de voorraad, het pand — zonder de goodwill en zonder de waarde van de onderneming als samenhangend geheel. Deze waarde ligt vrijwel altijd lager dan de goingconcernwaarde, soms aanzienlijk.

Voor de BOR is in beginsel de hoogste van de twee waarden bepalend — de wetgever wil niet dat een kunstmatig lage waardering de vrijstelling (en daarmee ook de belastbare grondslag) drukt bij een onderneming die in werkelijkheid veel meer waard is als lopend bedrijf.

Waarom dit verschil in de praktijk zo groot kan zijn

Bij een onderneming met weinig fysieke bezittingen maar een sterke klantenkring en goede winstgevendheid — denk aan een adviesbureau of een dienstverlenend bedrijf — kan de goingconcernwaarde vele malen hoger liggen dan de liquidatiewaarde, simpelweg omdat er weinig te “liquideren” valt maar wel veel toekomstige winst te verwachten is. Bij een kapitaalintensieve onderneming met veel machines en vastgoed, maar een beperkte winstmarge, kunnen beide waarden juist dichter bij elkaar liggen.

Een uitgewerkt voorbeeld

Stel: Bianca Terpstra erft het administratiekantoor van haar overleden vader, Terpstra Administraties B.V. Het kantoor heeft weinig fysieke bezittingen — wat kantoormeubilair, computers, een kleine voorraad kantoorbenodigdheden — maar een trouwe klantenkring die al jarenlang een stabiele, gezonde winst oplevert.

De liquidatiewaarde. Zouden alle bezittingen van het kantoor afzonderlijk worden verkocht — de meubels, de computers, eventuele openstaande vorderingen geïnd, schulden afgelost — dan zou dit een geschatte opbrengst van €85.000 opleveren. Dit is de liquidatiewaarde: wat overblijft als de onderneming wordt “uitgekleed” in plaats van voortgezet.

De goingconcernwaarde. Een waarderingsrapport, gebaseerd op de gemiddelde winst van de afgelopen drie jaar en een gebruikelijke kapitalisatiefactor voor dienstverlenende bedrijven in deze sector, stelt de waarde van het kantoor als lopend bedrijf vast op €410.000 — inclusief de goodwill die voortvloeit uit de bestaande klantrelaties en het toekomstig verdienvermogen.

Welke waarde geldt voor de BOR? Omdat de goingconcernwaarde (€410.000) hoger is dan de liquidatiewaarde (€85.000), wordt voor de BOR-toets uitgegaan van de goingconcernwaarde. De volledige €410.000 blijft, gegeven de 2026-drempel van €1.543.500, ruim onder deze grens en is dus 100% vrijgesteld van erfbelasting.

Wanneer dit verschil daadwerkelijk relevant wordt

Bij een kleinere onderneming zoals in dit voorbeeld maakt het onderscheid tussen beide waarderingsmethodes vaak geen verschil voor de uitkomst van de BOR-toets zelf — beide waarden blijven ruim onder de vrijstellingsdrempel. Het verschil wordt pas echt relevant bij grotere ondernemingen, waar de keuze tussen goingconcern- en liquidatiewaarde bepaalt hoeveel van de waarde boven de drempel valt, en dus hoeveel er — na de 75%-vrijstelling over het meerdere — daadwerkelijk belast blijft.

Praktijkvoorbeeld van waar dit wél verschil maakt: stel dat Terpstra Administraties in plaats van €410.000 een goingconcernwaarde van €2.200.000 zou hebben (bijvoorbeeld bij een veel groter kantoor), terwijl de liquidatiewaarde beperkt zou blijven tot €300.000. Zou de liquidatiewaarde ten onrechte als uitgangspunt worden genomen, dan zou de volledige BOR-vrijstelling van toepassing lijken (€300.000 blijft ruim onder de drempel) — terwijl bij de juiste, hogere goingconcernwaarde van €2.200.000 een deel van €656.500 (het bedrag boven de drempel van €1.543.500) voor 25% belast zou blijven, zijnde €164.125. Een waardering op basis van de verkeerde methode zou hier dus tot een fors te lage — en bij controle alsnog gecorrigeerde — belastingaanslag hebben geleid.

Wat dit betekent voor uw eigen voorbereiding

Laat de waardering altijd door een onafhankelijke deskundige opstellen, met een duidelijke onderbouwing van de gehanteerde methode. Een rapport dat alleen de liquidatiewaarde noemt, terwijl de onderneming overduidelijk als lopend bedrijf wordt voortgezet, houdt bij een controle door de Belastingdienst geen stand.

Stem de waardering, zeker bij een hogere ondernemingswaarde, vooraf af met de inspecteur. Dit voorkomt dat er jaren na de erfenis of schenking alsnog discussie ontstaat over de juiste grondslag voor de BOR.

Als fiscalist zie ik dat dit onderscheid vooral bij ondernemingen met relatief weinig fysieke bezittingen — veel dienstverlenende bedrijven — tot verwarring leidt, terwijl precies in die categorie de goingconcernwaarde vaak het meest afwijkt van de liquidatiewaarde.

Tot slot

Voor de BOR telt in beginsel de hoogste van de goingconcern- en de liquidatiewaarde. Bij kleinere ondernemingen maakt dit vaak geen verschil voor de uitkomst, maar bij een hogere ondernemingswaarde kan de juiste waarderingsmethode bepalend zijn voor hoeveel van de nalatenschap of schenking daadwerkelijk belast blijft.

[Adviesgesprek aanvragen →]

Categorieën